Vormen van tijdelijke huur

Hieronder vind u een samenvatting van alle juridisch toegestane vormen van tijdelijke verhuur. Een uitgebreide beschrijving per uitzondering vindt u aan de linkerkant van deze pagina.

Een vaak gebruikte "uitzondering" op de hoofdregel dat een huurcontract niet tijdelijk mag zijn is bruikleen. Dit is eigenlijk geen uitzondering op de hoofdregel maar een ontkenning dat er überhaupt sprake is van huur. Antikraakbedrijven beroepen zich daar meestal op om korte opzegtermijnen aan te houden. De antikraakbedrijven menen dat kraakwachten zo weinig betalen voor het wonen dat er geen sprake is van huur maar van lenen met een kostenvergoeding. Bruikleencontracten worden zo vaak door antikraakbedrijven gebruikt dat deze soms "antikraakcontracten" worden genoemd. Juridisch gezien is dit niet juist, omdat het woord "antikraak" niet in de wet voorkomt. Bovendien maken antikraakbedrijven ook wel gebruik van andere uitzonderingen op de hoofdregel zoals "huur naar aard van korte duur" en de Leegstandwet, waarover hier onder meer. Voor een kraakwacht is het goed om te weten op basis waarvan de verhuurder meent een tijdelijk huurcontract of bruikleencontract af te mogen sluiten omdat dat uit kan maken voor de rechten van de kraakwacht. Voor informatie specifiek over antikraakbedrijven, zie Over antikraakbedrijven.

Een belangrijke uitzondering op de huurbescherming is huur naar zijn aard van korte duur. Wat "huur naar zijn aard van korte duur" is, is niet in de wet beschreven. Omdat niet duidelijk is wat huur naar aard van korte duur is heeft de rechter in de praktijk per geval besloten wat het precies betekent. Voorbeelden van “huur naar zijn aard van korte duur” zijn hotelkamers, vakantiehuizen, pensions en wisselwoningen. Ook slooppanden, panden die gerenoveerd of verbouwd moeten worden en panden die te koop staan kunnen onder “huur naar zijn aard van korte duur” vallen, maar daar gelden wel bepaalde eisen voor. 

Een andere mogelijkheid om een woning tijdelijk te verhuren is door gebruik te maken van een vergunning op basis van de Leegstandwet. De Leegstandwet maakt een uitzondering op de huurbescherming door woningeigenaren toe te staan om hun leegstaande woning die te koop staat tijdelijk te verhuren. Dit is om het gemakkelijker te maken om een nieuw huis te kopen en te gaan bewonen voordat het oude huis verkocht is. Dit is goed voor de doorstroming op de woningmarkt en het voorkomt leegstand. Voor tijdelijke verhuur op grond van de Leegstandwet is een vergunning van de gemeente nodig en de minimale verhuurtermijn is een half jaar. Voor meer informatie klik hier. 

Een ander uitzondering is tussenhuur. Bij tussenhuur verhuurt de verhuurder de woning tijdelijk met de bedoeling om er later zelf te gaan wonen of weer te gaan wonen. Een verhuurder mag ook een huurder de gelegenheid geven om terug te komen en een andere huurder een tijdelijke huurcontract aanbieden. Om het de verhuurder of de eerste huurder niet onmogelijk te maken om later weer in de woning te gaan wonen is de huurbescherming voor tussenhuurders beperkt. Om meer precies te zijn: de huurovereenkomst mag tijdelijk zijn.

Een andere uitzondering zijn gemeentelijke slooppanden. Deze uitzondering lijkt op “huur naar zijn aard van korte duur”. Gemeenten hebben bijna geen woningbezit meer dus deze uitzondering zal niet vaak meer voorkomen.

Een andere vorm van tijdelijk huren is een zogenaamd campuscontract voor studenten. De wet geeft verhuurders de mogelijkheid on het huurcontract te beeïndigen zodra de student is afgestudeerd om ruimte te maken voor nieuwe studenten.

Een laatste uitzondering is de hospitahuur. Hospitahuur betekent dat men bij de hoofdbewoner in een woning woont en in die woning een kamer huurt. Hier is bijvoorbeeld sprake van in het geval van studenten die in een gastgezin wonen. De huurder kan zich de eerste negen maanden niet beroepen op huurbescherming.

Mocht de verhuurder het huurcontract niet kunnen beindigen en dit leidt tot een schrijnende situatie dan heeft een rechter nog de mogelijkheid om een uitzondering te maken op de wet. Dit heet de “redelijkheid en billijkheid”. De rechter zal deze uitzondering op de wet niet vaak gebruiken. Dit zal alleen voorkomen als het "oneerlijk" zou zijn als de huurder zou kunnen blijven wonen.