Hoge Raad 9 december 2011

HR 9 december 2011

Dit is een zeldzaam geval waarbij op grond van een beroep op de redelijkheid en billijkheid een huurovereenkomst werd beëindigd. Deze situatie is zo bijzonder omdat de huurder en verhuurder een 'affectieve relatie' hebben gehad.

 

Partij(en)
[Eiseres], te [woonplaats], eiseres tot cassatie, adv.: mr. P. Garretsen,
tegen
[Verweerder], te [woonplaats], verweerder in cassatie, niet verschenen.
Uitspraak
Conclusie A-G mr. Spier:
1.
[Eiseres] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het Haagse Hof van 20 juli 2010.
2.
Alle klachten bouwen, voor zover begrijpelijk, voort op de veronderstelling dat het Hof niet heeft verdisconteerd dat der partijen affectieve relatie tot in 2006 heeft voortgeduurd, dat [verweerder] nimmer een huurverhoging heeft voorgesteld en dat hij is gestopt met correspondentie over het kunnen beschikken van de woning ‘omdat hij dit niet met zijn geweten in overeenstemming kon brengen’ (onderdeel 2).
3.
Deze laatste omstandigheid heeft het Hof niet kenbaar in zijn oordeel betrokken. Het kan [eiseres] reeds niet baten omdat niet wordt aangegeven waar zij in de gedingstukken een dergelijke stelling aan haar verweer ten grondslag heeft gelegd. Los daarvan: de onderhavige procedure maakt duidelijk dat [verweerder] kennelijk — allicht om de door het Hof in rov. 5.1 genoemde redenen — van mening is veranderd. De overige twee omstandigheden heeft het Hof expliciet meegewogen in rov. 5.5 (‘In de derde plaats zijn van belang (…)’. Hierop stuiten alle klachten af. Daarbij teken ik nog aan dat de rechtsklacht van onderdeel 7 onbegrijpelijk is.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping met toepassing van art. 81 RO.
Naar bovenHoge Raad:
1.Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a.het vonnis in de zaak 773357\ RL EXPL 08-17454 van de kantonrechter te 's‑Gravenhage van 20 mei 2009;
b.het arrest in de zaak 200.036.529/01 van het gerechtshof te 's‑Gravenhage van 20 juli 2010 en de beslissing van het hof op de voet van art. 32 Rv van 15 maart 2011.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2.Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.
De advocaat van [eiseres] heeft op 21 oktober 2011 schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3.Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4.Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.